Pinda’s eten met Bo Xilai

Ieder nieuwsbericht over de onlangs gevallen Bo Xilai, lid van het Chinese Politbureau en kanshebber voor het presidentschap, doet mij door de grond zakken van schaamte. In 1996 deed ik af en toe een klusje voor het pr-bureau van Jules Farber. Een klant, een grote pindahandelaar, had Bo Xilai uitgenodigd voor een bezoek. Bo was indertijd burgemeester van de havenstad Dalian. Direct bij aankomst op Schiphol had hij te kennen gegeven dat hij beschikbaar was voor een televisie-interview.

Jules belde mij op om te vertellen dat ik dat voor hem moest oplossen.

‘Het is een zeer ijdele man’, had de pindahandelaar gezegd, ‘zorg dat hij een interview krijgt, anders is hij niet te genieten. Hij is een machtige Chinese politicus, maar hier onbekend. Zijn vader was dikke vrienden met Mao.’ Ik belde alle redacties af. Zonder succes. ‘Nooit van die man gehoord. Als we elke Chinees die hier komt gaan interviewen kunnen we wel bezig blijven’. Ik had mijn best gedaan en gefaald. Diezelfde avond belde Jules in paniek op. ‘Je moet nu komen. Die man vertikt het om zijn suite uit te komen voordat de beloofde journalist is komen opdagen. Trek een pak aan, doe je voor als journalist en ga hem interviewen.’

Jules Farber stond mij hevig zwetend voor de ingang van het hotel op te wachten. ‘Zeg dat je van de radio bent’, siste hij mij toe. Ik wees hem op het kleine memorecordertje dat ik bij mij had en probeerde hem ervan te overtuigen dat de burgemeester van  een miljoenenstad daar toch echt niet zou intrappen. Toen ik de suite van Bo werd ingeleid en langs een indrukwekkend aantal Chinese veiligheidsmensen en functionarissen werd gevoerd stelde Jules mij aan Bo Xilai en zijn tolk voor als de journalist waar hij de hele avond op had zitten wachten. Van de “Nationale Radio”. Ik drukte op de recordknop van mijn memorecorder en legde deze naast een schaaltje pinda’s op tafel.

Ik wist totaal niets over China, laat staan over de stad Dalian. Ik had snel een aantal vragen op een A4tje gekrabbeld. Toen ik de obligate vragen over de handelsbetrekkingen met Nederland had afgewerkt en naar zijn mening had gevraagd over het zeetransport van pinda’s en het nuttigen van pinda’s in het algemeen was ik bijna door mijn lijstje heen. Ik vroeg nog of hij mij kon uitleggen wat een free trade zone was en of er voor de rest nog wat te beleven was in zijn stad. Na een handje pinda’s kreeg ik een ingeving. In de informatiefolder die ik in de hotellobby vluchtig had doorgelezen stond dat Dalian een belangrijke handelspartner van Taiwan was. In de overtuiging dat ik wat meer diepte in het gesprek moest brengen stelde ik hem de meest domme vraag die je aan een Chinese leider kunt vragen: ‘Is het niet vreemd dat u met Taiwan zaken doet terwijl dit land met China in staat van oorlog verkeert?’

Onverstoorbaar kwam hij met een staatkundige verhandeling over de ondeelbare eenheid van China. Maar de vlammen schoten uit zijn ogen. Ik was oprecht bang dat er een telefoontje naar Beijing zou volgen met het verzoek om Nederland van de kaart te vegen. Die angst bleek ongegrond, maar ik schaam mij wel. Je mag mensen niet voor de gek houden. En ik durf nog steeds niet naar China te gaan.

Moraal van het verhaal: wees in de pr altijd eerlijk. Zorg dat de informatie die je naar buiten brengt klopt en durf tegen een klant te zeggen dat zijn boodschap niet zal worden opgepikt door de media. Je loopt misschien wat geld mis, maar je kan wel met een gerust hart naar China reizen. Als je dat van plan was.